Zelfportret met vioolspelende dood is het werk waarop Arnold Böcklin zichzelf in 1872 schilderde, met de Dood als vioolspeler achter zich. Deze kunstreproductie wordt op aanvraag in ons atelier gedrukt in een oplage van honderd genummerde exemplaren en ingelijst aan huis bezorgd.
Zelfportret met vioolspelende dood
Techniek, papier en lijst
Pigmentdruk op Hahnemühle Museum Etching, 350 g/m²: mat, zuurvrij, met een zichtbare vezelstructuur die de verfhuid van het origineel benadert. De lijst is een slanke, matzwarte aluminium profiellijst, in Nederland gemaakt. Geen glas: je kijkt naar het papier, niet naar je eigen spiegelbeeld.
Bezorging
Geen pakketje. Elk werk verlaat het atelier ingelijst, in een op maat gemaakte doos, en reist als vracht: niet gesorteerd, niet gestapeld, niet gegooid. Wij bezorgen aan huis, zodat het werk aankomt zoals het bij ons vertrok.
Waarom willem.
Eén papier, één lijst, één maatvoering die klopt. Wij kiezen vooraf, zodat je alleen nog het werk hoeft te kiezen. Geen eindeloze combinaties, geen twijfel: een verzameling oude meesters, gedrukt zoals ze het verdienen.
Zelfportret met vioolspelende dood (Selbstbildnis mit fiedelndem Tod), 1872
Zelfportret / allegorie · 75 × 61 cm (24,0 × 29,5 in)
Symbolisme
Alte Nationalgalerie, Staatliche Museen zu Berlin, Berlijn, inv. A I 633
Catalogustekst
Arnold Böcklin voltooide Zelfportret met vioolspelende dood in 1872, tijdens zijn jaren in München. Hij bracht de voorstelling in olieverf aan op een formaat van 75 bij 61 cm; het schilderij hangt in de Alte Nationalgalerie in Berlijn. Böcklin toont zichzelf aan het werk, penseel geheven en palet in de hand, terwijl vlak achter hem de Dood opduikt en op een viool met één snaar strijkt. De schilder wendt zijn hoofd naar het geluid, met de ogen gericht op iets buiten het doek.
De compositie schuift de levende schilder en het geraamte dicht op elkaar in een ondiepe, gesloten ruimte. Böcklin licht zijn eigen gezicht en de witte kraag helder uit en houdt de Dood grotendeels in schaduw, zodat de blik eerst bij de schilder aankomt en pas daarna bij de figuur erachter. De donkere, egale achtergrond sluit aan bij de zestiende-eeuwse portrettraditie, waarin een schedel of zandloper de vergankelijkheid binnen het beeld bracht. Van de vier snaren van de viool is er nog één over.
Het werk hoort bij de vroege schilderijen waarmee Böcklin tot de wegbereiders van het symbolisme ging behoren. Waar veel tijdgenoten de zichtbare wereld natrouw weergaven, gaf hij aan het klassieke memento mori de vorm van een persoonlijke ontmoeting. De trekken van het gezicht komen overeen met andere zelfportretten die hij in dezelfde jaren maakte. De dood verschijnt daarbij niet als abstractie, maar als een musicerende gestalte vlak achter de schouder van de schilder.
Sinds 1898 maakt het schilderij deel uit van de Berlijnse collectie, verworven uit de verzameling La Roche-Ringwald in Bazel. Het draagt het inventarisnummer A I 633 en hangt in de Alte Nationalgalerie, waarover meer te vinden is in de collectie van de Alte Nationalgalerie. Bij willem. wordt het als kunstreproductie in beperkte oplage uitgevoerd, op aanvraag gedrukt in het eigen atelier in Nederland en binnen drie weken ingelijst aan huis bezorgd.
Over de stroming
Het symbolisme keerde zich in de late negentiende eeuw van de zichtbare werkelijkheid af en zocht het innerlijke, het droombeeld en de mythe. Figuren staan er voor een idee; lijn en kleur dragen een verborgen betekenis. De sfeer is stil, geladen en vaak raadselachtig. Tegenover het realisme en het impressionisme stelde de stroming de verbeelding en het gevoel.
In deze verzameling staan Odilon Redon, Arnold Bocklin en Jan Toorop voor die verbeelding. Redon bracht dromen en visioenen in zachte kleur en houtskool. Bocklin schilderde geladen, mythische taferelen als Het dodeneiland. Toorop bouwde zijn allegorieen op uit fijne, golvende lijnen vol figuren. Zij schilderden wat niet direct te zien is, en bereidden met hun nadruk op idee en vorm de moderne kunst voor.
Wie het symbolisme herkent, let op de raadselachtige sfeer, de mythische of dromerige onderwerpen en de nadruk op idee boven weergave. De stroming had geen vaste stijl maar een gedeelde houding, verspreid over heel Europa. Haar aandacht voor het innerlijk en de verbeelding bereidde het pad voor de Jugendstil en voor de vrije vorm van de moderne kunst. Verwant is de romantiek van een halve eeuw eerder, die het gevoel ook boven de rede stelde; het verschil is dat de romantiek dat in het landschap zocht en het symbolisme in de figuur en het teken.
Bron: Kroller-Muller Museum.


