Impressionisme
Verken de stromingen
Impressionisme valt uiteen in drie stromingen. Open er één voor de volledige selectie.
De kunstenaars binnen deze koepel
De meesters uit deze koepel, met de werken die in de collectie van willem. zijn opgenomen.
Over deze koepel
In de decennia tussen 1872 en 1910 verschuift in de Franse schilderkunst de aandacht van het afgebeelde onderwerp naar de waarneming zelf. De impressionisten werken buiten en leggen het wisselende licht van een enkel ogenblik vast, met een losse, zichtbare toets en een heldere, ongemengde kleur. Uit die keuze komen twee verdere richtingen voort, het neo-impressionisme en het post-impressionisme, die het uitgangspunt elk op een eigen manier verder voeren. Deze koepel brengt de drie verwante richtingen onder een gezamenlijke ingang samen, zodat hun onderlinge verhouding en volgorde zichtbaar worden.
Het onderscheid tussen die richtingen ligt in de behandeling van de toets. Bij het neo-impressionisme wordt zij systematisch en berust zij op een uitgewerkte kleurtheorie: Paul Signac zet de kleur in afzonderlijke, geordende stippen die pas in het oog van de kijker samengaan. Bij het post-impressionisme raakt de waarneming juist ondergeschikt aan de opbouw van het beeld: Vincent van Gogh vormt de streek naar de eigen structuur van het doek, los van wat het oog op dat moment registreert. Zo staat een berekende methode tegenover een geconstrueerd beeld.
Wat dat verschil oplevert, is aan twee werken uit de collectie af te lezen. In Portret van Felix Feneon, 1890, ordent Signac het hele vlak tot een draaiend patroon van gelijkmatige kleurpunten, waarin figuur en achtergrond aan dezelfde wet gehoorzamen. In De sterrennacht, 1889, buigt Van Gogh de toets tot brede, rondende banen die de hemel een eigen beweging geven, zonder verband met een waargenomen nachtlucht. Het eerste beeld is opgebouwd volgens een regel, het tweede volgens een besluit.
Na de sluitperiode van deze koepel houdt de losse toets op een middel te zijn en wordt zij zelf het onderwerp. Het schilderij wordt niet langer gelezen als een venster op de wereld, maar als een oppervlak met eigen wetten. In 1905 groeperen jonge schilders in Parijs zich rond die vrijgemaakte kleur en tonen doeken waarin de tint van de waarneming is losgemaakt. Daarmee ligt de weg open naar het modernisme, waar de kleur niet langer aan het oog gebonden is.
Bron: Musee d'Orsay, Parijs.
Het impressionisme, 1872 tot 1886, vormt binnen deze koepel het vertrekpunt: de richting waaruit de beide andere zijn voortgekomen en waartegen zij zich verhouden. Zij markeert het moment waarop de waarneming van het licht boven het onderwerp komt te staan, en levert het uitgangspunt dat het neo-impressionisme en het post-impressionisme elk verder trekken. Bekijk de stroming.
Het neo-impressionisme, 1884 tot 1905, staat in deze koepel voor de meest methodische uitwerking van het gezamenlijke uitgangspunt. Het brengt de losse toets onder in een geordend systeem en verbindt de schilderkunst met een uitgewerkte theorie. Binnen de drie richtingen neemt het daarmee de plaats van de berekende, ordenende pool in. Bekijk de stroming.
Het post-impressionisme, 1886 tot 1905, vormt binnen de koepel de tegenpool van die ordening. Hier wordt de waarneming ondergeschikt aan de opbouw van het beeld, en wint het besluit van de maker het van de registratie van het oog. Daarmee wijst deze richting binnen de drie het verst vooruit naar wat na de koepel komt. Bekijk de stroming.
Elk werk uit deze drie richtingen is bij willem. te verwerven als kunstreproductie in beperkte oplage.
Andere hoofdstukken
De collectie is verdeeld over meerdere overkoepelende hoofdstukken.