Verhalen · De Stijl

Mondriaan trok nooit een lijn zonder reden

Piet Mondriaan (1872-1944) begon met bomen en molens en kwam pas na jaren bij het raster van zwarte lijnen en primaire kleuren. Elke lijn had bij hem een reden. Toen Theo van Doesburg de diagonaal invoerde, verliet Mondriaan de beweging die hij mee had opgezet.

Piet Mondriaan, Compositie met rood, blauw en geel, 1930. Kunsthaus Zürich.

Hoe kwam Piet Mondriaan bij zijn rasters?

Piet Mondriaan schilderde tot ver in zijn dertiger jaren de zichtbare wereld: molens, duinen en bomen. In de collectie van willem. staat daar een vroeg voorbeeld van, de Oostzijdse molen aan het Gein bij maanlicht uit omstreeks 1903, nog een donker en herkenbaar landschap. De abstractie kwam er niet in één sprong, maar via een reeks bomen waarin de tak langzaam een lijn werd. Mondriaan liet het herkenbare onderwerp niet los omdat het hem verveelde, maar omdat hij zocht naar wat eronder lag: de verhouding tussen lijn, vlak en kleur.

Hoe die zoektocht van boom naar lijn eruitzag, is in de collectie te zien. In uit 1911 is de boom nog aanwezig, maar gaat hij bijna op in zijn eigen takken. Piet Mondriaan schilderde het doek vrijwel zonder kleur, in grijs, olijf en gebroken wit, zodat niets de aandacht van de lijnen aftrekt. De takken buigen naar links en rechts tot ze de rand raken en vullen zo het hele vlak met een web van bogen. De stam is nauwelijks meer dan een verdikking onderin. Een jaar later, in De bloeiende appelboom uit 1912, is van de boom nog minder over dan dat web: een raster van gebogen strepen in zacht roze en grijs, waarin de tak en de lucht in elkaar overlopen. Het is geen portret van een boom meer, maar een studie van hoe lijnen een oppervlak verdelen. Die boomreeks loopt van 1908 tot 1912 en telt vijf werken in de collectie; ze staan bij elkaar in Waarom Piet Mondriaan steeds dezelfde boom schilderde.

Wat waren de regels van De Stijl?

Piet Mondriaan bond zich aan een streng stelsel dat hij zelf de Nieuwe Beelding noemde: een schilderkunst die niet meer iets afbeeldt, maar de verhoudingen tussen lijn, vlak en kleur zelf tot onderwerp maakt. In 1917 stond Mondriaan aan de wieg van De Stijl, de beweging rond het gelijknamige tijdschrift van Theo van Doesburg (1883-1931).2 De regels waren scherp: alleen rechte lijnen, horizontaal en verticaal; alleen de drie primaire kleuren rood, geel en blauw, naast wit, grijs en zwart; en geen diagonaal. Die zuivering had voor Mondriaan een reden buiten de schilderkunst. Hij was aangesloten bij de theosofie, een levensbeschouwing die achter de zichtbare wereld een universele orde zoekt, en hij hoopte met de rechte lijn en de zuivere kleur die orde zichtbaar te maken. Het klassieke voorbeeld staat in de collectie: uit 1930, een raster van zwarte lijnen met drie kleurvlakken en verder wit. Het origineel hangt in het Kunsthaus Zürich.3

Waarom verliet Piet Mondriaan De Stijl?

Piet Mondriaan brak met de beweging die hij mee had opgezet, om één lijn. Rond 1924 begon Theo van Doesburg de diagonaal te gebruiken, die hij Elementarisme noemde en die volgens hem beweging in het vlak bracht. Voor Mondriaan was de schuine lijn geen detail maar een principekwestie, en in 1924 of 1925 stapte hij uit De Stijl; de bronnen verschillen over het precieze jaar.2 Het verschil zat in wat hij de grondslag van zijn kunst vond: de tegenstelling tussen de staande en de liggende lijn, die samen een rust in evenwicht opleveren. Een diagonaal doorbreekt dat evenwicht en brengt beweging waar Mondriaan juist rust zocht. Van Doesburg zag daar vernieuwing in; voor Mondriaan was het een breuk met het uitgangspunt. Dat is het meeneembare feit bij deze schilder: hij verliet de beweging die hij had helpen oprichten, niet om geld of ruzie, maar om een schuine lijn. Wie dat weet, leest de titel van dit verhaal letterlijk.

Wat verraadt het materiaal over zijn werkwijze?

Het strenge raster van Piet Mondriaan krijgt vaak het verwijt dat een kind het had kunnen maken. Dat verwijt gaat over de uitkomst; het maken vertelt een ander verhaal, en bij zijn laatste werk is dat laag voor laag terug te zien. In de collectie staat , dat Mondriaan tussen 1942 en 1944 in New York schilderde en dat onvoltooid op de ezel stond toen hij op 1 februari 1944 overleed. Tussen 2006 en 2008 onderzochten het Kunstmuseum Den Haag en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het doek met een mobiel laboratorium.4 Op het schilderij zitten honderden stukjes gekleurd plakband, waarmee Mondriaan een positie kon uitproberen voordat hij verf gebruikte. Het onderzoek liet ook zien hoe vaak hij van gedachten veranderde: de potloodlijnen die hij eerst trok vallen grotendeels samen met het uiteindelijke patroon, maar in sommige kleine vlakken liggen laag na laag verf over elkaar, waar hij een kleur telkens opnieuw insloeg. Het plakband zit er nog steeds op. Het is geen restant van een ongeluk, maar het gereedschap van iemand die niet wilde beslissen voordat hij het had gezien.

Dat Victory Boogie Woogie zo veel losse vlakken telt, heeft met New York te maken. Piet Mondriaan verhuisde in 1940 naar de stad en raakte er in de ban van boogiewoogie, een snelle vorm van jazz. In werken als Broadway Boogie Woogie, dat hij in 1942 en 1943 maakte, verdween de zwarte lijn en werd het raster zelf een rij gekleurde blokjes die als knipperende lichten over het doek loopt. Waar de vroege rasters tot rust kwamen, gingen deze late werken bewegen. De regel bleef, maar het ritme was nieuw.

Welke werken van Mondriaan staan in de collectie?

De collectie van willem. laat de hele weg van Piet Mondriaan zien, van de boom tot het raster. De grijze boom uit 1911 staat aan het begin, waar het onderwerp nog te herkennen is. Compositie met rood, blauw en geel uit 1930 toont het stelsel op zijn strengst. En Victory Boogie Woogie uit 1942 tot 1944 laat zien dat het raster daarna weer in beweging kwam, opgebroken in honderden kleine vlakken op het ritme van de jazz die Mondriaan in New York hoorde. In de collectie vallen deze werken onder De Stijl, de Nederlandse beweging rond Mondriaan die de kunst tot haar zuiverste verhoudingen wilde terugbrengen. Zijn New Yorkse doeken maakte Mondriaan pas nadat hij die beweging al had verlaten, maar in dezelfde geest van de zuivere verhouding. Piet Mondriaan overleed in 1944 in New York, met dat laatste doek onaf achter zich, het plakband nog op het canvas.

Bronnen

  1. Kunstmuseum Den Haag, dat de grootste verzameling werken van Piet Mondriaan beheert, over de boomreeks waarin de abstractie zich ontwikkelt (De grijze boom, 1911; De bloeiende appelboom, 1912). kunstmuseum.nl, Piet Mondriaan terug
  2. Over De Stijl (opgericht in 1917 met Theo van Doesburg) en over Mondriaans vertrek nadat Van Doesburg de diagonaal invoerde (Elementarisme): het De Stijl-artikel noemt 1924 als vertrekjaar, museale bronnen als Tate houden 1925 aan. De Stijl terug
  3. Kunsthaus Zürich, collectiedocumentatie bij Compositie met rood, blauw en geel (Composition with Red, Blue and Yellow), 1930. kunsthaus.ch terug
  4. Maarten van Bommel, Hans Janssen en Ron Spronk (red.), Inside Out Victory Boogie Woogie. A Material History of Mondrian's Masterpiece (Amsterdam University Press), de neerslag van het materiaalonderzoek 2006-2008 door het Kunstmuseum Den Haag en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, over het gekleurde plakband en het onvoltooide doek. Victory Boogie Woogie terug