Collectie /Stromingen /Abstracte kunst
±1913–1935

Abstracte kunst

De abstracte kunst liet de zichtbare wereld los en maakte kleur, lijn en vorm tot onderwerp. Uit kubisme, suprematisme en De Stijl groeide een beeld dat nergens meer naar verwees. Bij willem. brengt deze koepel Malevitsj, Mondriaan en Kandinsky bijeen.
41 Werken
3 Stromingen
11 Kunstenaars
Kasimir Malevitsj, Suprematistische compositie, 1916

De kunstenaars binnen deze koepel

De meesters uit deze koepel, met de werken die in de collectie van willem. zijn opgenomen.

Over deze koepel

Tussen 1915 en 1933 komt in Europa een schilderkunst op die de zichtbare wereld volledig loslaat. Kleur, lijn en vlak zijn niet langer middelen om iets af te beelden, maar worden zelf het onderwerp. De richtingen onder deze koepel delen dat uitgangspunt van een beeld dat nergens meer naar verwijst. Waar zij van elkaar verschillen, is de verhouding die zij aangaan met de toepassing, van de zuivere schilderkunst tot het ontwerp en het onderwijs. Deze ingang brengt het suprematisme, De Stijl en het Bauhaus samen, drie richtingen die hetzelfde doel langs verschillende wegen benaderen.

De scheidslijn loopt langs de vraag waartoe de abstractie dient. Aan de ene kant staat Kasimir Malevitsj, die de vorm tot een op zichzelf staande, geestelijke schilderkunst terugbrengt, zonder oogmerk buiten het doek. Aan de andere kant staat Laszlo Moholy-Nagy, voor wie dezelfde grondvormen het uitgangspunt zijn van ontwerp, fotografie en onderwijs. Tussen die twee ligt De Stijl, die de zuivere vorm vanuit het schilderij doortrekt naar de gebouwde en ingerichte omgeving.

Twee werken uit de collectie tonen de uiteinden van die lijn. In Zwart vierkant, 1915, brengt Malevitsj de voorstelling terug tot een enkel vlak, als beginpunt van een schilderkunst die alleen naar zichzelf verwijst. In Compositie met rood, blauw en geel, 1927, ordent Piet Mondriaan lijn en kleur tot een evenwicht dat zich even goed tot muur en ruimte laat uitbreiden. Het ene werk sluit zich af binnen het doek, het andere opent zich juist naar de toepassing buiten het doek.

Na deze periode verlaat de beeldtaal het doek. Bij De Stijl gaat zij over in architectuur en meubelontwerp; bij het Bauhaus in typografie, industrieel ontwerp en een volledig onderwijsprogramma. Toen het Bauhaus in 1933 onder druk zijn deuren sloot, verspreidde dat programma zich met de vertrekkende docenten over andere landen, waaronder de Verenigde Staten. Zo werd een schilderkunstig uitgangspunt de grondslag van een manier van ontwerpen en onderwijzen die het doek ver achter zich liet. Die overgang van beeld naar toepassing bleef daarna in het moderne ontwerp doorwerken.

Bron: Kunstmuseum Den Haag.

Het suprematisme, 1915 tot 1927, neemt in deze koepel de meest teruggetrokken positie in. Het staat voor de abstractie die zich tot een op zichzelf staande, geestelijke schilderkunst beperkt, zonder toepassing buiten het doek. Binnen de drie richtingen vormt het het beginpunt en tegelijk de zuiverste, meest teruggetrokken pool van de drie. Bekijk de stroming.

De Stijl, 1917 tot 1931, vormt in deze koepel de schakel tussen schilderkunst en toepassing. Zij trekt de zuivere vorm vanuit het doek stap voor stap door naar meubel, interieur en architectuur. Binnen de drie richtingen neemt zij zo de verbindende middenpositie in tussen de zuivere schilderkunst en de volledig toegepaste vormgeving. Bekijk de stroming.

Het Bauhaus, 1919 tot 1933, staat in deze koepel voor de meest toegepaste positie. Het brengt dezelfde grondvormen onder in ontwerp, fotografie en onderwijs, en verbindt de abstractie met een program voor de gebouwde en gemaakte wereld. Binnen de drie richtingen vormt het de pool die het verst van de zuivere schilderkunst af staat. Bekijk de stroming.

Elk werk uit deze drie richtingen is bij willem. te verwerven als kunstreproductie in genummerde oplage.